De onderduikers bepaalden mede het dorpsbeeld

In de zomer van 1944 was het aantal onderduikers in Diessen opgelopen tot 1 op 5, dat wil zeggen, dat 1 op de 5 volwassen mannen een onderduiker was. Zij bepaalden mede het dorpsbeeld. De Joden of illegale werkers onder hen kreeg men uiteraard nooit te zien. Maar de meesten waren onderduikers van maatregelen tot wegvoering van arbeidskrachten naar Duitsland. Die namen gewoon deel aan het dorpsleven. Voor de stedelingen was de overgang van het drukke stadslevennaar de rust van het dorp soms te groot. Ze hielden het niet vol. Ze verkozen het risico van opgepikt te worden in de stad boven het voor hen geestdodende leven in het dorp. De tegenstellingen tussen onderduikers en de gastgezinnen waren soms ook erg groot. Voor een student was het geen vraag wie er president van de Verenigde Staten was. Het was voor hem onbegrijpelijk, dat zijn gastheer vroeg: “Roosevelt? Roosevelt? Daar heb ik al 'ns meer van gehoord. Wie is dat eigenlijk?”.

DE INVAL IN "UIT EN THUIS"

De aanleiding


“Uit en thuis”was de beloftevolle naam van een kampeergelegenheid welke in de dertiger jaren ontstond in Baarschot. Vele Baarschottenaren waren daar niet erg gelukkig mee. Ze vreesden een ongunstige beïnvloeding van de jeugd door de daar verblijvende mensen uit de Randstad met hun vrijere opvattingen op zedelijk gebied.
Het kamp was gelegen in de richting Westelbeers in de buurt van het Kransven (waar nu Kempenbos ligt; red.). De niet erg opvallende toegang bevond zich aan de weg naar de Vijfkei (een grote steen, die de beginpunten aangeeft van het grondgebied van De Beerzen, De Mierden, Hilvarenbeek en Diessen).
In de oorlogsjaren was het maatschappelijk leven dermate ontregeld dat er van normaal kamperen weinig terecht kwam. Niettemin was “Uiten thuis”van de winter '43 -'44 af steeds vrijwel volledig bezet. De gasten, die er een min of meer tijdelijke verblijfplaats of doorgangshuis vonden, waren vogels van verschillende pluimage. Dit was het gevolg van een overeenkomst tussen de gewestelijke L.O. -opleiding (L.O. = Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers) en de kampbaas, de heer Van Lier.
Omstreeks mei 1944 ging er in de late namiddag een onderduiker Kees Jacobs uit Dongen, over de Baarschotse weg in de richting van het kamp.
Juist voorbij de bierbrouwerij werd hij aangehouden door twee Zollbeambten, die graag zijn papieren wilden zien. Kees bleek echter geen papieren bij zich te hebben. Hoe hij zijn portefeuille ook binnenste buiten keerde, geen persoonsbewijs kwam te voorschijn. Maar dat was geen bezwaar voor niks of voor niemand, zei Kees, Hij was een boerenzoon en woonde maar 'n klein eindje verder. De heren konden gerust meegaan. De heren gingen mee. Na zo'n 500 meter vroegen ze of 't nog ver was. Ja, 't was eerst nog 'n eind rechtuit, dan linksaf, daarna 'n brug over, dan nog 'n keer rechtsaf en dan was 't niet ver meer. “Maar kom gerust mee, mijn moeder zal de pap wel klaar hebben, en dan kunnen jullie mee eten”. Na nog 'n paar honderd meter gelopen te hebben, vonden de heren 't welletjes. Ze zouden morgen wel eens terug komen. Nou, daar had Kees alle begrip voor. Op hun verzoek gaf hij zijn naam op, die echter toen niet Jacobs luidde, en wees nog eens precies langs welke weg zij moesten gaan om de boerderij te vinden. Toen vertrokken ze, en blij dat hij ze zo lekker voor de gek had gehouden, ging Kees welgemoed naar 't kamp, waar hij sinds enige tijd in pension was.

De Inval

De volgende dag gingen dezelfde Zollbeambten in Baarschot op zoek naar de boerderij, maar ze vonden uiteraard niemand, die de opgegeven naam droeg. Er zat niets anders op, dan onverrichterzake naar hun standplaats Hilvarenbeek terug te gaan. Dat deden ze. Maar 's avonds laat omsingelden ze heimelijk met een aantal collega's het kamp. Hier had men, na de belevenissen van Kees te hebben gehoord, overdag wel 'n wachtpost geplaatst, maar 's avonds was men met de gewone -dat wil zeggen -zonder maatregelen ter ruste gegaan. Eerst bonsden de Duitsers Van Lier wakker, die in het hoofdgebouwtje sliep. Hij zei van geen onderduiker te weten. Vervolgens gingen zij naar de andere gebouwtjes, die over 't hele beboste terrein verspreid stonden. Van Lier kleedde zich gauw aan en kroop op handen voeten door de omsingelingsring. Daarna haastte hij zich naar Esbeek, naar 't huis van Ome Frans. Die was niet thuis en zijn vrouw liet 's nachts niemand binnen. Zo zat de kampbaas in de kille meinacht op hete kolen onder 't afdak bij Ome Frans zijn huis. Hij besefte 't gevaar, dat medewerkers liepen als in het kamp gearresteerden zouden doorslaan, maar hij kon niets doen dan afwachten. Toen Ome Frans echter om 6 uur thuiskwam, was in 'n mum van tijd de hele lijn van Baarschot tot de top van Brabant-West in Breda in alarmtoestand. Men vreesde namelijk, dat de Sicherheitsdienst weldra op volle toeren zou gaan draaien, omdat zich in het kamp op dat moment niet alleen onderduikers, maar ook ’n illegale werker en een geallieerde piloot bevonden. Inmiddels was 't verdere verloop van de inval in het kamp bekend geworden.
De Duitsers waren, na hun gesprek met van Lier, naar andere huisjes gaan zoeken en in het eerste dat ze vonden, troffen ze Kees Jacobs, Adri Wolters uit Rotterdam, de geallieerde werker en de piloot. Kees en Adri arresteerden ze, omdat ze zonder Ausweis waren en in de ongeoorloofde leeftijd vielen. De illegale werker was veel ouder. Ze lieten hem ongemoeid. De piloot had 'n vals persoonsbewijs, maar hij sprak geen woord Nederlands of Duits. Hij hield dus wijselijk zijn mond, maar zo gauw hij zijn persoonsbewijs terug had, trok hij er met 'n vaartje tussenuit. De Duitsers maakten zich daar niet druk over. Twee arrestanten vonden ze kennelijk voldoende, want de andere gebouwtjes werden niet meer bezocht. Deze handelswijze is wel te begrijpen. Het waren Zollbeambten. Hun taak bestond voornamelijk uit het kontroleren van het grensverkeer tussen Nederland en België, in verband met zwarte handel. Bovendien waren het oudere mannen, die geen behoefte hadden aan 'n dergelijke slavenjacht.

De gevolgen

Ofschoon deze inval nog betrekkelijk goed afliep, had hij een droeve nasleep. Kees en Adri werden in Duitsland te werk gesteld, na enkele weken in het concentratiekamp te Amersfoort te hebben doorgebracht. Adri keerde na de bevrijding terug in Rotterdam, maar van Kees bleef elke boodschap uit. Na enige tijd kreeg zijn familie van een mede tewerkgestelde het bericht, dat Kees op 25 oktober in kamp Schwesing nabij Hussum was overleden en begraven. Hij werd 21 jaar. Bij het verhoor door de Sicherheitsdienst, dat beiden na hun arrestatie moesten ondergaan, verklaarde Ari, dat Van Lier voor alles wat nodig was zorgde. Hierdoor kwam alleen Van Lier in gevaar. Hij wachtte dan ook niet lang met onderduiken.

De marechaussee uit Hilvarenbeek, die de beide jongens in Den Bosch bij de Sicherheitsdienst afleverde, was bij 't verhoor aanwezig. Ze speelde aan ons de nodige informatie door.
Het kamp werd ontruimd, de nog aanwezige onderduikers elders ondergebracht. De piloot die op eigen gelegenheid aan 't zwerven was gegaan, werd op de Haghorst weer gevonden en over de grens geholpen. De afdeling van de Sicherheitsdienst, welke na 'n dag of veertien verscheen, kon alleen konstateren, dat het kamp verlaten, iedereen uit en niemand thuis was.

ZWARTE HANDEL - ZWARTE WANDEL

De oorzaken

De oorlog veroorzaakte schaarste aan vele goederen, die moeilijk of niet te missen zijn, b.v. levensmiddelen. Door distributie probeerde de overheid tot een rechtvaardige verdeling van de beschikbare goederen te komen. Ze slaagde daar maar voor een gering deel in. Dat had verschillende oorzaken.
Een belangrijke oorzaak was, dat men de overheid wantrouwde. Iedereen ging er vanuit, dat de Nederlandse ambtenaren van hoog to laag gedwongen werden besluiten uit te voeren, die door de bezetters genomen waren. En de algemene opvatting was,dat de Duitsers zoveel mogelijk naar Duitsland sleepten. In dit verband deed het gezegde opgeld: “Zelfs de beste mof heeft nog 'n paard gestolen”!. 
Een andere oorzaak werd gevormd door de lage prijzen, welke door de regering voor de goederen werd vastgesteld. Die maakten mede door de omstandigheden, waarin veel bedrijven verkeerden een rendabele bedrijfsvoering moeilijk. Als we over bedrijven spreken denken we in Diessen aan landbouwbedrijven. Het boerenbedrijf nu behoorde van het begin tot het einde van de oorlog tot de meest aangetaste bedrijven. 't Begon met vermindering van toewijzingen voor veevoeder en kunstmest. Daarna volgde inkrimping van de pluimvee en de varkensstapel. De pluimveestapel werd vrijwel uitgeroeid. Er bleven in letterlijke zin alleen wat scharrelkippen over, die hun voedsel moesten zoeken in het afval rond de boerderij. Paarden werden gevorderd en rundvee moest worden geleverd. Dit laatste zogenaamd voor de voedselvoorziening, maar iedereen was ervan overtuigd, dat er veel kwaliteitsvee naar Duitsland ging.

Er kwam een teeltregeling, die de boeren verplichtte gewassen te verbouwen, hoofdzakelijk granen, maar ook b.v. koolzaad. Minder kunstmest, door minder vee ook minder stalmest, en de verplichting gewassen te verbouwen, welke voor een deel goede gronden vragen. En tenslotte lage prijzen voor de geleverde produkten.
't Was begrijpelijk dat de boeren naar een ander middel zochten om in hun onderhoud te voorzien. En ze vonden dit, vanwege de grote behoefte aan hun produkten, heel gemakkelijk door clandestien te verkopen.

Zwarte uitvoer naar België

In de eerste paar oorlogsjaren ging van de zwart verkochte waren een groot gedeelte de grens over naar België. Met smokkelen waren we vertrouwd. In de eerste helft van de dertiger jaren waren Belse boter (margarine) en Bels tarwebrood in Diessen geen onbekende artikelen. En wie hoorde nooit van de uitgebreide smokkelhandel in de oorlog '14 -'18.
In de oorlog bleek de rantsoenering van brood in België de eerste jaren veel slechter te zijn dan bij ons. Het gevolg was, dat daar abnormale prijzen werden betaald voor 't koren toen 't hier nog maar enkele guldens boven de regeringsprijs lag.
De regeringsprijs was te laag, dus de zwarte prijs was eigenlijk normaal.
Er ontwikkelde zich 'n uitgebreide smokkelhandel. Belgen kochten hier van 'n Nederlandse tussenpersoon levensmiddelen, vooral koren, tegen hoge prijzen en haalden ze 's nachts bij het betrokken bedrijf op.
De prijzen bedroegen in het begin het dubbele van de Nederlandse zwarte prijs en liepen in een paar jaar op tot het tiendubbele. Om 'n voorbeeld te geven: Voor rogge werd in de winter '40 -'41 grif f.30,--tot f.40,--per 100 kg betaald. In 1944 was de prijs opgelopen tot f.200,--. De regeringsprijs was f.12,--tot f.16,--per 100 kg.
In het voorjaar van 1942 na de lange vorstperiode betaalden de Belgen voor overjarige aardappels 30 tot 40cent per kg. De regeringsprijs was 4 tot 6 cent per kg.
Wanneer men in de avonduren van de winter '41 -'42 aan de rand van de dorpsbebouwing stond, kon men over de paadjes en langs akkerranden de smokkelaars zien trekken als schimmen in het maanverlichte landschap, de voetstappen krakend in de sneeuw. Een dichterlijk beeld herinnerend aan de sfeer van Kerstmis. Maar de harde werkelijkheid was, dat ze na 'n paar uren zwaar beladen de tientallen kilometers lange weg weer terug moesten met het risico de kostbare vracht achter te moeten laten, wanneer er onraad dreigde. Op 'n avond telden we in twee rijen in ganzenpas achter elkaar lopend meer dan honderd mensen, zowel mannen als vrouwen.
Deze uitvoer naar België bereikte zijn hoogtepunt in de eerste helft van 1942.
Daarna werd het veel moeilijker. Eerstens kwam door de strengere dorpscontrôle minder koren vrij voor de smokkelarij. Tweedens werd het politiecorps en de Crisis Contrôledienst uitgebreid. Voor grote groepen werd het toen te riskant door de veelvuldige contrôle op de weg. Derdens had de bezetter bepaald, dat alle betrapte Belgen rechtstreeks naar Duitsland moesten worden getransporteerd en daar te werk gesteld. Een aantal jonge mannen kon de bekoring van de grote winsten niet weerstaan. Ze kochten zelf graan op en brachten dat een eind in de richting van de grens. Daar gaven ze het aan de Belgen over. Op deze manier slaagden ze erin flink te verdienen. Naarmate echter de keten van tussenpersonen zich uitbreidde steeg ook de consumptieprijs. Maar ook de inkoopprijs werd hoger door de grotere vraag en het geringer aanbod.
Toen in april 1942 de rookartikelen werden gerantsoeneerd werd 't meer 'n ruilhandel. Met 40 gram tabak per week, later nog minder, kon geen enkele rechtgeaarde roker het doen en dus zorgden de Belgen voor shag. Dat de grote vraag de kwaliteit nadelig ging beïnvloeden, zeker bij mengprodukten als tabak, laat zich begrijpen. Wanneer men de geur opsnoof van de mindere kwaliteit Belse shag vroeg men zich af of er ook nog tabak in zou zitten.

Boeren woekeraars?

't Zwart verkochte koren ging voor een groot deel naar België maar boter en eieren bleven hoofdzakelijk in 't eigen land. Vaak werden ze geruild, tegen textiel, schoeisel enz. Mensen, die tegen het einde van de oorlog nog helemaal niets zwart kochten , zullen hoge uitzonderingen zijn geweest. Vrijwel iedereen probeerde het schaarse rantsoen, waarop men recht had, aan te vullen. Clandestien kopen op zich was voor niemand een probleem.
Alleen de bezetter veroordeelde het en de regering, die de orders van de bezetter uitvoerde. En hun veroordeling zette ons aan om er zeker aan mee te doen. Over de prijs was echter nog al wat te doen. Er waren boeren, die van de nood van anderen profiteerden, door de hoogste mogelijke prijzen te vragen. 't Kwam ook wel voor, dat iemand een hoge prijs voor roomboter betaalde, maar later tot de ontdekking kwam, dat er gekookte aardappelen in vermengd waren. Kort na de bevrijding kreeg op 'n boerderij 't vee, mond en klauwzeer. De melk werd niet geleverd, maar ze werd wel gekarnd. De boer informeerde enkele dagen later bij een zwarthandelaar naar de prijs van de boter. “Twintig gulden per kilo”, kreeg hij ten antwoord. “Wat niet meer? Dan laat ik ze nog maar wat liggen. Ze wordt nog wel duurder!”.
Dergelijke gevallen kwamen voor., maar 't bleven uitzonderingen. Maar door die weinigen kregen de boeren de naam woekeraars te zijn. Voor 't merendeel ten onrechte. Naast 't kwantum, dat zij aan “den Bels” verkochten, voorzagen ze de burgers in eigen land tegen 'n matige prijs van levensmiddelen. Ook zorgden ze, dat de zieken in 't klooster geen gebrek hadden aan versterkende middelen.
Er verbleven in 't Theresia gesticht plm.120 zusters, waarvan ongeveer de helft ziek was. Gedurende meer dan 2 jaar leverden ze dagelijks 30 liter volle melk aan. Bovendien werd een keer per jaar een inzameling van voedsel gehouden, dat kosteloos aan 't klooster ter beschikking werd gesteld. In de Kroniek van 't klooster staat daar o.a. 't volgende over:

“ Op de avond van 4 december (1943) kwam tegen 7.00 de Zuster portierster Moeder roepen,
wijl er enige manschappen H.E.W. wensten te spreken. En wie beschrijft Moeders verwondering en grote verrassing. Daar is de vestibule veranderd in een soort pakhuis. Liefst18 heerlijke, grote mikken liggen daar opgestapeld; een mand, waarin 300 eieren waren verpakt; 2 grote stukken spek, ieder van 5 à 6 pond; 1 groot pak havermout; 1 pak gort; 1 pakje chocolade; 1 zak tarwe; 1 doos gemalen tarwemeel; 20 pond boter;3 pakjes koffiesurrogaat; 1 beker stroop; 1 zakje rijst van 5 pond; enkele pakjes beschuit; nog bonnen voor brood en tenslotte nog f.20,---“.

Ik  wees er al op, dat de boeren ook aan de onderduikers in “Uit en thuis”gratis graan ter beschikking stelden.
De vooroorlogse crisisjaren waren voor de boeren magere jaren geweest. In 'n aantal opgroeiende gezinnen was bijvoorbeeld de linnenkast daardoor in een hopeloze positie  geraakt. Wie zal 't hen kwalijk nemen, dat zij deze aanvulden toen de gelegenheid zich voordeed. Wanneer men bedenkt hoe sterk de machtspositie van de boer als bezitter van de voornaamste levensmiddelen was en men vergelijkt daarmede zijn handelswijze in het algemeen, dan zal men tot de conclusie komen, dat zijn gedrag niet slechter was dan dat van welke andere bevolkingsgroep ook.

Zwarte wandel

Op de zwarte markt kopen om het schaarse levensmiddelenrantsoen aan te vullen, clandestien verkopen om zijn bedrijf rendabel te houden, zijn anders te waarderen voorbeelden van zwarte handel, dan zwart in en verkopen omwille van de grote winsten, welke het oplevert.
Ook 't laatst kwam veelvuldig voor, zij het in beperkte hoeveelheden. Veel jongemannen hielden er zelf een zwart handeltje op na. Ze kochten bonnen, shag, sigaretten, e.d. en verkochten ze weer met 'n stevige winst. De shag deed op 't einde van de oorlog 10 tot 15 gulden per ons. Ook kinderen deden aan deze praktijken mee en liepen daardoor wel met f.50,--of meer op zak. In die tijd en bij die levensstandaard was dat een zeer abnormale situatie. Geleidelijk aan vervaagden de thuis geleerde en binnen de gemeenschap geldende opvattingen over mijn en dijn. 't Was dikwijls nodig tegenover de vijand de waarheid te verdraaien, maar daardoor groeide ook 't bedrog ten overstaan van eigen landgenoten. Bij aanvragen van kleding, schoeisel e.d. bij de distributiedienst behoefde men het met de eerlijkheid niet zo te nemen, oordeelden velen. Maar wat te denken van het duur verkopen van door leugens verkregen bonnen aan mensen, die de artikelen hard nodig hadden? Op 't einde van de oorlog kon men iets van waarde niet meer onbeheerd achterlaten. Het risico, dat het kort naderhand weg zou zijn, was te groot geworden.

DUITSE INKWARTIERING

Kort na de overval op het kamp “Uit en Thuis”kwam een nieuwe moeilijkheid in de vorm van Duitse inkwartiering. Tot dan toe waren we daar goed van vrij gebleven, maar op de eerste Pinksterdag 1944 verscheen 'n bestreepte hoge Duitser en vorderde de scholen en het patronaatsgebouw. Ook bij verscheidene burgers werden militairen ingekwartierd. Nu woonde juist naast het patronaat Anneke Wouw.Zij herbergde een Jood en bovendien was een van haar zonen, na eerst elders te zijn geweest, thuis ondergedoken. In het patronaatsgebouw was geen watervoorziening in de vorm van een pomp of iets dergelijks. 't Viel te verwachten, dat de ingekwartierden regelmatig bij Anneke zouden aankloppen om water. De beide heren begonnen het toen benauwd te krijgen (wellicht meer dan Anneke, want die was niet voor een kleintje vervaard). In die buurt was ook nog 'n student ondergedoken met 'n vals persoonsbewijs zonder vingerafdrukken. Gauw werden er 'n paar boodschappen afgegeven in de nabijgelegen dorpen. De volgende morgen was Piet uit Middelbeers present om Anneke's gasten tijdelijk naar hun nieuwe home te begeleiden. Ook Hans uit Hilvarenbeek verscheen. Met de speciale inkt en andere materialen voor vingerafdrukken maakte hij het persoonsbewijs geschikt voor contrôle. Overigens bleek het gevaar minder groot dan werd verwacht. De ingekwartierde troepen bleken gewone wehrmachtsoldaten te zijn. Ze hadden slechts belangstelling voor 't dorpsleven voorzover het melk of eieren of alcohol kon opleveren.

Kreeg men 'n lid van het “hernvolk” op bezoek, dan behoefde men niet verwonderd te zijn, als hij begon met Hitler de schuld van de oorlog te geven, Goering uitschold voor “schweinhund”, verder alles over de hekel haalde, waarvan hij maar vermoedde, dat je het met hem eens zou zijn, om tenslotte bescheiden te vragen of je niet wat melk of eieren voor hem had, want “ 't eten is zo slecht”.

Ze besteedden hun tijd en hun soldij voor een belangrijk deel aan het likwideren van de drankvoorraden in de cafés. Verder demonstreerden zij de Germaanse naaktcultuur door op de warme dagen in 'n wei te gaan liggen zonnebaden. De dorpsbewoners ergerden zich het meest aan 't laatste, want bloot was in die tijd zoveel bloter dan nu, dat het haast niet te vergelijken is.

Ongeveer zes weken mochten we ons over hun aanwezigheid ergeren. Onder herhaalde verzekeringen, dat zij terug zouden komen, vertrokken ze toen voorgoed (naar het oostfront).

Het vorderen van de scholen was door de schoolgaande jeugd met groot enthousiasme begroet. Hierop werd een domper gezet door het inrichten van noodscholen. De magazijnen van smid Heuvelmans en timmerman van den Hout, werden gemeubileerd met banken, evenals de stal van boerderij Timmermans op den Heuvel en van Jan van Rijthoven op het Laar. Dit bleek best de moeite waard, want na het vertrek van de ingekwartierde troepen moesten de gevorderde ruimten beschikbaar blijven. Ook in de winter na de bevrijding zijn een paar van deze ruimten nog als noodschool gebruikt.

DE ARBEIDSDIENST

Naar mijn gevoelens was de werkeloosheid in de dertiger jaren naar verhouding niet minder ernstig dan thans. Zeker niet als men ze vergelijkt in de gevolgen voor de werkelozen. De regering bevorderde de tewerkstelling van werkelozen onder andere bij ruilverkavelingen. Zo is bij ruilverkaveling van het zogenaamde “Broek”, gelegen tussen Diessen, de Haghorst, Moergestel en Biest-Houtakker, heel wat grond met de schop verzet door werkelozen uit Schiedam en Rotterdam. Voor de huisvesting en voeding van deze mannen, die alleen in de weekenden naar huis gingen, was een kamp opgericht in Baarschot net voorbij de boerderij destijds bewoond door Pietje Schilders. Toen het oorlog werd, was de werkeloosheid zo voorbij. Wie in Nederland geen werk vond kon dat (en moest dat) aanvaarden in Duitsland. Het kamp in Baarschot raakte daardoor overcompleet,en werd na enige tijd bestemd voor de Nederlandse Arbeidsdienst.

In 1941 werd bij verordening van de Rijkscommissaris de Nederlandse Arbeidsdienst opgericht naar het voorbeeld van de Rijksarbeidsdienst in Duitsland. Hoewel deze dienst bedoeld was voor alle jonge mannen, werden aanvankelijk alleen vrijwilligers geworven.
Vanaf 't aanplakbord, dat ter grootte van enkele vierkante meters bij het raadhuis was opgericht -natuurlijk op bevel -verkondigde Koenraad van de Arbeidsdienst de buitengewone deugden van dit instituut, zonder echter iemand te overtuigen. Toen er meer kampen kwamen en minder vrijwilligers werd de dienst eerst voor toekomstige rijks-en gemeentepersoneel en later voor iedere jongeman van 18 jaar verplicht gesteld. Degene, die hun werk in de landbouw bonden kregen vrijstelling. De burgerjongens uit Diessen, die voor opname in de arbeidsdienst in aanmerking kwamen werden zo goed als allemaal in naam boerenknecht, zodat voor ons dit propaganda-instituut van de Duitsers weinig moeilijk heden opleverden.

Toen in 1943 werd besloten het kamp in Baarschot te gebruiken voor de arbeidsdienst moest dit voor deze taak geschikt worden gemaakt. Geen Diessenaar wilde zijn zoon in de arbeidsdienst, wel wilden enkele grof geld verdienen om het kamp voor zonen van anderen in te richten. Dit was niet op bevel en niet verplicht!
In het voorjaar van 1944 werd het kamp in gebruik genomen. Nadien kon men dikwijls de hele troep met de schop op de schouder (de schop was namelijk het embleem van de Arbeidsdienst ) zingend door het dorp zien trekken, gedrild naar Duitse wijs.

In de zomer van 1944 gaf de Arbeidsdienst op zekere avond 'n concert op de muziekkiosk, (welke vroeger op den Heuvel stond, gedrongen tegen het patronaatsgebouw en het zicht op de kerk beperkend) . De dienst had n.l. ook een eigen muziekkorps. Het waren alleen vrijwilligers. In de ochtend van die dag maakten ze een wandeling met muziek door het dorp, 's avonds keerden ze terug “om de dorpelingen in de gelegenheid te stellen met de arbeidsmannen kennis te maken.”
We plakten enkele affiches op, waarin de bewoners werden verzocht thuis te blijven en zo te laten zien, hoe men over de Arbeidsdienst dacht. De meesten gedroegen zich dienovereenkomstig. Naar schatting een vijftigtal personen had zich om de kiosk verzameld. Dat was niet op bevel en niet verplicht!

Dat veel mensen bij de talloze Duitse maatregelen, de een al moeilijker tegen te werken dan de ander,  hier en daarover de schreef gingen en dus met de Duitsers meewerkten, valt te begrijpen.
Maar dat mensen, zonder enige noodzaak met de vijand meewerkten viel moeilijker te verteren door anderen, die -ook geen helden -wel dagelijks actief waren in het ondermijnen van de Duitse maatregelen.
BURGEMEESTER TIMMERMANS

Toen in 1943 de ambtstermijn van Burgemeester Voets afliep werd deze niet verlengd, maar werd een NSB-er tot hoogste gemeentelijke gezagsdrager benoemd. Het was een zekere heer Timmermans. In verhouding tot andere NSB-burgemeesters had hij een prima opleiding. Hij was in de gemeenteadministratie werkzaam geweest, terwijl velen van zijn collega's slechts een zes weekse cursus hadden gevolgd. (Wanneer ze ook nog lezen en schrijven moesten leren, duurde de cursuzes weken langer, zei de volksmond).

De heer Timmermans was niet in de gemeentedienst gebleven. Bij zijn benoeming was hij werkzaam op het bureau van de Landstand in Den Bosch.
Hij was geen fanatiek partijman. 't Was een eenvoudig man, tegen iedereen vriendelijk. Hij was geen fanatiek partijman. 't Was een eenvoudig man, tegen iedereen vriendelijk. Hij zou gemakkelijk de sympathie van de Diessenaren hebben gewonnen, wanneer hij niet van de verkeerde kant was geweest. Thans stuitte zijn vriendelijkheid af als op 'n muur, want al zijn mooi gepraat werd gedoodverfd als aktie om zieltjes te winnen voor de partij.

Hij was voorstander van Winterhulp. Bij elke collecte nam hij zelf een wijk voor zijn rekening. Hij kon dan tevens met de mensen kennis maken, zoals hij zei. Als hij meende door persoonlijk te collecterende collecte tot een succes te maken, dan heeft hij zich deerlijk vergist. Velen durfden niet te weigeren, als hij met de bus verscheen, doch wat ze gaven was zo gering, dat het resultaat minimaal bleef. -Natuurlijk waren er enkelen, die de hoed lichtten voor “Mijnheer de burgemeester”, en hem vriendelijkheden bewezen. De overgrote meerderheid deed echter of hij niet bestond.

Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst zal de burgemeester gedacht hebben toen hij besloot een uitstapje te maken met zijn jeugdigenonderhorigen. Er was daartoe een uitstekende gelegenheid, want kameraadcollega de Bresser uit Hilvarenbeek organiseerde 'n kermis ten bate van Winterhulp.
De burgemeester (of de gemeentekas) zou 'n aantal kaartjes kopen voor de kermisvermakelijkheden en deze uitdelen aan de kinderen. Per aanplakbiljet werden de kinderen uitgenodigd met hun “burgervader”ter kermis te gaan.
Woensdagmiddag om 2 uur zou vanaf het raadhuis vertrokken worden. Op 't afgesproken uur was de omgeving van het raadhuis zo verlaten als het schoolplein tijdens de vakantie. Na 'n kwartier verscheen de burgemeester naar alle zijden uitkijkend of zich ergens kermisgangers ophielden. Maar neen, zijn zoet gefluit bleek niet verleidelijk genoeg om Diessens jeugd te lokken. Daags voor Dolle Dinsdag (5 september 1944) verdween Timmermans met stille trom en twee maanden salaris.

VORMING VAN EEN K.P. - KERN

In 't voorjaar van 1944 kwam er bij Frans van Spreeuwel op de Lage Haghorst een plaatsje vrij voor een onderduiker.
Het werd spoedig bezet door Karel, die bij de S.D. (Sicherheitsdienst) geen onbekende was. Hij had gevangen gezeten, maar wegens het ontbreken van 't geringste bewijs was hij vrijgelaten. Nu keek de S.D. weer naar hem uit, en daarom was hij door de L.O. naar hier gestuurd om in derustige plattelandssfeer de bevrijding af te wachten.
Korte tijd daarna werd zijn vriend en strijdmakker Hans uit de gevangenis ontslagen. Toen deze Hans eens in gezelschap van een vriend door Tilburgse straten wandelde, legden plotseling 'n paar S.D.-agenten in burger, 'n hand op een schouder van de beide mannen en verzochten hen mee te gaan. Van deze zo gul aangeboden gastvrijheid wensten de beide vrienden echter geen gebruik te maken. Er ontstond 'n ruzietje, dat in een schietpartij eindigde. Beide ontkwamen, maar het was nu wel zaak, dat ze zo spoedig mogelijk verdwenen. Op verzoek van Karel nam Frans van Spreeuwel ook Hans, die voortaan Frans zou heten, voor een paar dagen bij hem op. De dagen regen zich echter aaneen en over vertrekken werd niet meer gesproken. In samenwerking met enkele geestverwanten ontwikkelden Frans en Karel nu een grote aktiviteit. Wat ze allemaal deden, weet ik niet, wel dat hun werk op het terrein van de K(nok)-P(loegen) lag. Ze waren in het bezit van wapens en 'n tijd lang beschikten zij ook over een auto. Frans van Spreeuwel en zijn vrouw Tonia zagen dit met zorg aan. Dit ging toch wel veel verder dan het huisvesting verlenen aan een onderduiker, waartoe zij zich aanvankelijk bereid hadden verklaard. Zij waren het wel eens met de akties van de heren, maar ze vroegen zich af of ze voor hun gezin de risico's, welke er ook voor hen aan waren verbonden, konden verantwoorden. De K.P.-ers hadden begrip voor deze argumenten en zij besloten in “Het Stuk”tussen de Beerseweg en de Oirschotsedijk een ondergrondse verblijfplaats in te richten. 't Was  een heel karwei. Een grote hoeveelheid hout werd naar het Stuk gesjouwd, en daar verwerkt. Na vele dag werken was de ondergrondse woning klaar. Voor de honderdduizenden onderduikers waren distributiebonnen voor voedsel en kleding nodig en ook persoonsbewijzen. Voor een deel kwam die langs de officiële lijnen door de medewerking van ambtenaren. Dit was niet voldoende.
En zo werden, als het ware uit de nood geboren, her en der acties ondernemen om de gewenste artikelen in handen te krijgen. In veel gevallen waren er overvallen voor nodig, waarbij gewapenderhand moest worden opgetreden. De eerste acties bestonden dan ook meestal uit het achteroverdrukken van wapens. De groepjes K.P.-ers, welke zichop verschillende plaatsen vormden, werden al gauw ondergebracht in een landelijke georganiseerd apparaat. Bij de diefstal van 100.000 zegels voor persoonsbewijzen te Tilburg was b.v. De K.P. uit Soest in opdracht van de landelijke top betrokken. Uiteraard verliepen niet alle acties zonder gevolgen voor de K.P.-ers. Velen werden gevangen genomen. In een aantal gevallen pleegden knokploegen met wisselend succes aanvallen op gevangenissen om hun kameraden te bevrijden. Drs. De Jong schrijft in zijn Oorlogsdocumentatie, dat K.P.-ers meer dan 1500 gevangenen bevrijdden. 500 K.P.-ers verloren het leven ten gevolg van hun K.P.-werk.

De twee onderduikers van Frans van Spreeuwel, maakten deel uit van de K.P. We zetten het verhaal nu voort.

Op 29 augustus 1944 gaven Frans en Karel gevolg aan een uitnodiging voor een bespreking in Utrecht, met het doel in het bezit van trotyl (springstof) te komen.
Er bleek verraad in 't spel te zijn. Toen ze in Utrecht uitstapten was het hele perron afgezet door de Duitsers. Er volgde nog een schietpartij, maar de overmacht was te groot. Frans werd in de lies gewond. Beiden werden gearresteerd en naar het concentratiekamp Vught gebracht. Van Frans is bekend dat hij later naar kamp Saxenhausen is vervoerd. Verder is niets meer van hem vernomen. Toen Frans van Spreeuwel bericht kreeg van de arrestatie, haastte hij zich om het bezwarend materiaal te verbergen. Dat bevond zich voor 'n groot gedeelte in een silo, waarin beide K.P.-ers gewoon waren te slapen. Alles werd in de grond gegraven. Later haalden vrienden van Frans het op in een rode-kruis-auto.
10.000 Exemplaren van het illegale blad “De Stem” bleven achter. Aanvankelijk waren ze in een stromijt verborgen.
Na de arrestatie waren ze ook in de grond gegraven. Ze bezorgden de familie van Spreeuwel nog hachelijke ogenblikken. 'n Paar weken voor de bevrijding kreeg Frans n.l. inkwartiering van tot een artillerieonderdeel behorende militairen. Zij beijverden zich op vele plaatsen in de omgeving van de boerderij z.g. splinterkuilen te graven. Dit zijn ronde gaten, waar een persoon tot borsthoogte in verdwijnt, als hij er rechtop in staat. Ze boden 'n vrij goede bescherming tegen splinters bij luchtaanvallen. Frans had 't echter niet op deze graverij. Telkens als ze in de buurt van de begraven kranten kwamen, hield hij zijn hart vast. En niet ten onrechte. In onderling overleg werd besloten de kranten te lozen. Frans groef ze op zekere nacht op, en gooide ze in de beerput. De met zoveel zorg en levensgevaargemaakte kranten hebben dus nooit hun doel bereikt.

DOLLE DINSDAG

Op 6 juni 1944 landden de geallieerden in Normandië. We moesten toen nog verscheidene weken geduld hebben voor het echte offensief kon beginnen. Het gevormde bruggenhoofd moest worden uitgebouwd en van voldoende voorraden voorzien. Dat duurde een tijd. Veel te lang voor ons, die al vier jaar wachtten. Pas in de tweede helft van augustus kwam er echt vaart in. Dat resulteerde in de bekende Dolle Dinsdag (5 september 1944). Toen meenden we, dat de bevrijding nog slechts een kwestie van uren was. Op de grote wegen trok een onafgebroken stroom wagens vanuit België in noord-oostelijke richting. Weer waren de wegen overvol, zoals in mei 1940, maar nu ging het terug naar de “Heimat”. En de goed uitgeruste legers, die toen geordend en van de modernste materialen voorzien naar het zuid-westen trokken, waren nu veranderd in een chaotische troep, die op alle beschikbare vervoermiddelen een goed heenkomen zocht! 'n Komplete vlucht!

Op 3 september had Prins Bernhard een beroep gedaan op de Nederlandse strijdkrachten in illegaal verband. De geallieerde legerleiding vroeg de medewerking van de Rotterdammers om te helpen de havenwerken te beschermen.

De lucht was vol geruchten. Maastricht bevrijd, Brussel bevrijd, Antwerpen bevrijd, Breda bevrijd.... 'n Pantserleger rukt op naar Rotterdam en vecht reeds bij de Moerdijk. Paniek greep de Duitsers aan. Zij lieten de startbanen en installaties van de vliegvelden te Gilze-Rijen en Eindhoven in de lucht vliegen en sloegen op de vlucht. De NSB-ers sloten zich bij de Duitsers aan.

't Was tijd voor Diessense kermis, maar we waren  zo overvol van de verwachte grote gebeurtenissen, dat we aan geen kermis dachten.

In de daarop volgende dagen bleek, dat Breda niet was bevrijd en dat ook 't pantserleger bij Moerdijk alleen maar bij de wensen en niet bij de werkelijkheid kon worden ingedeeld. Hunkerend wachtten we de verdere berichten af. Maar er kwam geen nieuws! De noodzakelijke aanvoer van voedsel, munitie, benzine enz. had de fantastische opmars door Noord-Frankrijk en België niet kunnen bijhouden. Bijna aan de Nederlandse grens waren de geallieerden toen aan 't eind van hun verbindingslijnen gekomen. Wachten op ravitaillering was nu noodzakelijk.

De Duitsers maakten hiervan gebruik om de orde in hun gedesorganiseerde en gedemoraliseerde troepen zo goed mogelijk te herstellen. Zij vestigden bij 't Albert-kanaal een nieuw afweerfront en slaagden erin de bevrijders een voorlopig halt toe te roepen.

DE ORDE DIENST

Toen door het snelle oprukken van de Geallieerden een spoedige bevrijding werd verwacht, stimuleerde de Landelijke Organisatie van Onderduikers de oprichting van Orde-Diensten. Het doel ervan was niet gewapenderhand optreden, zoals velenmeenden. Ongeoefendheid en het ontbreken van een daarvoor geschikt organisatorisch verband, maakten dat ongewenst. Bovendien waren deze weken in het zicht van de bevrijding misschien wel de gevaarlijkste van de hele oorlog.
Na vele jaren zou nu eindelijk het juk afgeschud kunnen worden. Iedereen raakte in de spanning van dit geweldige gebeuren en vele -vooral jonge mensen -wilden wat doen, wilden tot aktie komen.
Intussen hadden de Duitsers het nog volledig voor het zeggen. Voorzichtigheid bleef geboden en dat waren zich velen minder bewust. Het is heel goed mogelijk dat Piet Leermakers uit Biest-Houtakker, die op 7 september 1944 door de “Grüne Polizei”werd neergeschoten, van deze gevaarlijke onvoorzichtigheid het slachtoffer is geworden.

Deze vriendelijke en zeer geziene veearts kwam bij de uitoefening van zijn beroep in de gehele omgeving.
Zeer veel ondergronds werk heeft hij gedaan, onderduikers geplaatst, piloten vervoerd, enz. De mogelijkheid, die zijn beroep hem verschafte om 's nachts op straat te zijn, buitte hij volledig uit voor illegaal werk. Reeds eerder had de S.D. tevergeefs op hem geloerd.

In die bewuste septemberdagen organiseerde hij vol geestdrift de O.D. om deze bij sabotagedaden
of 't beschermen van bruggen te kunnen gebruiken. Dit schijnt de Duitsers ter ore te zijn gekomen.
In de vroege ochtend van 7 september stonden de “Grünen”voor zijn deur en eisten toegang. Piet waarschuwde de onderduiker, die hij herbergde en samen sprongen ze aan de achterkant van het huis van het balkon om, door te vluchten, aan de vijand te ontkomen.
De Duitsers hadden dit kennelijk voorzien. Ze zagen ze springen en schoten onmiddellijk. Beide mannen werden door meerdere kogels getroffen en waren binnen enkele seconden dood. De Duitsers lieten de lijken liggen en verdwenen na uit het huis te hebben meegenomen wat van hun gading was.

De dood van Piet maakte veel indruk. Velen die rond dolle dinsdag de in Diessen ingekwartierde Duitsers lachend voorbij liepen, kropen weer in hun schulp. Maar drie dagen na dit droevige gebeuren, meldde zich bij me een boerenzoon, die het werk van Piet zo nodig zou voortzetten. Dat was de kracht van de illegaliteit.
De werkers vielen weg, maar hun plaats werd ingenomen door anderen. Het werk ging door.

Verbittering over deze moord, wakkerde de haat aan en dagelijks kwamen verschillende jongelei, die zich gemeld hadden voor aktie, informeren of er langs illegale weg nog geen wapens waren binnen gekomen. De ordedienst, was zoals de naam zegt, bedoeld om de orde te handhaven in een gezagsloze periode die met de bevrijding gepaard kon gaan. Hij was dus niet opgericht om gevechtshandelingen te verrichten.

De ordedienst is na de bevrijding opgetreden, maar heeft veel kritiek gekregen. Dat kon ook moeilijk anders. De goede wil was er wel bij de O.D.-ers, maar kennis van zaken over wat van hen werd verwacht, hadden ze niet veel en konden ze ook moeilijk hebben. De kritiek kwam uiteraard van degenen, die zich gedekt hielden tot het gevaar was geweken, en daarna precies wisten, hoe het zou hebben moeten gebeuren.

HOE LANG NOG ...........?

Na de snelle doortocht door Frankrijk en België hadden de geallieerden een pauze nodig om de romp van het leger gelegenheid te geven zich bij de voorhoede aan te sluiten, om nieuwe voorraden aan te voeren en om de nodige maatregelen te treffen voor een nieuwe aanval.
De Duitsers maakten van deze gelegenheid gebruik om zich zo goed mogelijk voor te bereiden.
Ze bliezen b.v. op de Haghorst beide bruggen over het kanaal op en gelastten de heer de Loos, mannen op te roepen om stellingen te graven. Toen de heer de Loos zich door onder te duiken aan deze opdracht onttrok, probeerden ze zelf in de omgeving van het kanaal, waar de stellingen moesten komen, de nodige mankracht te vinden. Dat had niet veel effect. De behoefte om de Duitsers te helpen was er niet, maar bovendien was het levensgevaarlijk. Geallieerde jagers beheersten de lucht en voor verkeerswegen, kanalen en in aanbouw zijnde stellingen hadden ze veel belangstelling. Het Duitse vervoer vond dan ook 's nachts plaats.

Over het niet-Duitse vervoer behoeven we eigenlijk niet te praten, want we hadden geen vervoersmiddelen meer van betekenis. Wat nog aan fietsen op de weg verscheen werd door de Duitsers ingepikt, tenzij ze bereden werden door politie, rode kruis e.d. Zelfs “anti-klaps” waren niet meer veilig. 'n Anti-klap was een fiets met volle banden, die meestal uit de autobuitenbanden werden gemaakt. Lekker fietsen kon je er niet op, het schokte tot en met, want de banden veerden niet, maar het ging vlugger dan lopen. Uiteraard hadden de schaarste aan luchtbanden tot dit surrogaat geleid. Sommigen fietsten helemaal zonder  banden. Deze voertuigen kregen naar de plaats van herkomst en het lawaai, dat ze maakten, de naam “Tilburgse tank”.

Het zal duidelijk zijn, dat in deze septemberdagen van 1944 het normale leven volkomen ontwricht was. Wie niet noodzakelijk van huis moest bleef thuis en wachtte ongeduldig de bevrijding af. In de verte zuid-zuid-oost hoorden we regelmatig kanongebulder. Buiten het af en toe mitrailleren door geallieerde jagers merkten we verder van gevechtshandelingen niet veel. Dit bleef zo tot zondag 16 september.
In de ochtend van deze dag was de lucht vol lawaai van exploderende bommen tengevolge van het bombarderen van alle in de omtrek gelegen vliegvelden.
Kort na de middag verschenen hoog in de lucht een groot aantal geallieerde jagers. Ze boden dekking aan een massale luchtvloot, die van zuid-west naar noord-oost trok. Gedurende ongeveer drie uren passeerden zonder tussenpozen alle soorten vliegtuigen, waarvan vele een of twee zweefvliegtuigen z.g. gliders achter zich aantrokken. Dit was zo indrukwekkend, dat je 't nooit vergeet. We vermoedden natuurlijk, dat troepenlandingen 't doel vandit massaal gebeuren vormde. Eninderdaad, 's avonds bevestigde de BBC, dat paratroops en gliders waren geland tussen Maas en Rijn.

Er was fel afweervuur van luchtdoelgeschut, waardoor verschillende toestellen tot ontijdig landen werden gedwongen.
De daarna volgende dagen kwamen weer veel vliegtuigen over. Verder bleef 't rustig. De spanning nam echter toe. Door het opblazen van de Haghorstse bruggen was ook de elektriciteitskabel vernield, die ons van stroom moest voorzien. Dit beperkte uiteraard de ontvangst van radioberichten. We vernamen dat Eindhoven was bevrijd en de geallieerden zich een doortocht baanden naar Nijmegen en verder naar Arnhem. En van elke nieuwe dag hoopten we, dat het de laatste zou zijn onder Duitse bezetting.

DE BEVRIJDING

Voorboden


Met de doorbraak naar Nijmegen, die onder andere het gevolg is van luchtlandingen bij Veghel en Son op 17 september, blijkt de bevrijding van Diessen toch wel te zijn ingeluid. In het begin van de week,  die met de 17e begon, merkten we daar nog niet veel van, maar in de tweede helft komt er meer aktie. Rode-Kruis wagens, vrachtwagens en ordonnansen rijden naar en komen van Middelbeers. Er zijn geruchten dat de Engelsen tot de Beerzen zijn doorgedrongen. Dat is op donderdag. Vrijdag trekken lange rijen Duitsers in de richting van Westelbeers. Ze zijn onder andere voorzien van pantservuisten. Ze zien er slecht uit, de vermoeidheid staat op hun gezicht te lezen. Er is nu zekerheid, dat de Engelsen bij West-en Middelbeers zijn. In de loop van de dag wordt op meerdere plaatsen bijvoorbeeld in 't Hoekske en in de Molenstraat geschut in stelling gebracht.
's Avonds is 't kanongebulder niet van de lucht. In de nacht gieren de eerste granaten over 't dorp.
Ze richten in de Westerwijk nogal wat schade aan in een boerderij.

Zaterdag zijn veel dorpelingen bezig met hun schuilkelder.
Pakken geperst stro vormen dikwijls het materiaal, zowel voor de gedeeltelijk ondergrondse wanden als voor het dak. Tegen en op de pakken stro wordt zand aangebracht, los of in zakken. Wanneer zich onder de woning een diepe kelder bevindt met een stenen of betonnen plafond, wordt het keldergat met zandzakken afgeschermd en dient de voorraadkelder tevens als schuilkelder. In vele gevallen worden ook de ramen van de huizen nog voor een deel met zandzakken beveiligd. Onmisbare zaken en dingen, waaraan veel waarde wordt gehecht gaan mee de schuilkelder in, of worden in tonnen of kisten in de grond gegraven. We gaan er terecht van uit, dat de bevrijding niet zonder slag of stoot zal plaatsvinden, en we bereiden ons serieus voor op de gevaren. Maar helaas, zoals blijken zal, nog onvoldoende!

Op de voormiddag verschijnt 'n troep “Falschirmjäger”. Ze stellen bij de pastorie een seintoestel op. De manschappen, legeren zich in de meisjesschool, de officieren in de pastorie. Ze houden onder dreiging met wapens een razzia op fietsen. Na de middag gaat een aantal naar “De toekomst”waar zij zich inkwartieren bij de langs de Beerseweg wonende boeren. Tegen 't vallen van de avond komt er pantserafweergeschut in 't dorp. 't Wordt geplaatst op den Heuvel. Veel mensen brengen de nacht al in de schuilkelderdoor.

Diessens zwartste dag

De Engelsen zijn kennelijk goed op de hoogte van de plaatsing van het geschut en ander oorlogstuig in de omgeving van de kerk. Zondagochtend 24 september vallen er omstreeks 7 uur midden op den Heuvel enkele granaten, die met donderend geraas uiteenspatten. Dit is het begin van een bombardement, dat met kleine tussenpozen 3 uren duurt, en waarbij de gehele omgeving van de kerk in een straal van ongeveer 200 meter met granaten bezaaid wordt.

Reeds bij het eerste salvo krijgt de schuilkelder die achter de boerderij van Jan Vingerhoets op de Heuvel (thans Co Vugts) was gebouwd een voltreffer.

Verschillende personen uit de naaste omgeving snellen toe, breken onder voortdurend granaatvuur de schuilkelder af en helpen de getroffenen. Allen worden naar het klooster gebracht. Van de 16 personen, die zich tijdens de aanval in de kelder bevonden, blijken er 6 te zijn overleden:
Jan Vingerhoets met 2 van zijn kinderen, Miet van Gool met 1 kind, en de moeder van Miet van Gool, Pauw de Kort.
De vrouw van Jan Vingerhoets, Miet Timmermans is zwaar gewond. Eveneens zwaar gewond, hoewel minder gevaarlijk, is de man van Miet van Gool, Toon van den Bergh.
Licht gewond is Anna, de zus van Jan Vingerhoets. Een zeventien jarig meisje uit Tilburg, dat bij van den Bergh werkzaam was, heeft een zware hersenschudding opgelopen. Ongedeerd zijn de oude moeder van Jan Vingerhoets, zijn 4 andere kinderen en zijn knechtje, alsmede 'n kind van Toon van den Bergh.
Beide zwaar gewonden worden nog diezelfde dag met paard en wagen naar het ziekenhuis te Tilburg gebracht, waar Miet Vingerhoets-Timmermans de volgende dag overlijdt. Op woensdag 27 september worden de slachtoffers begraven, in alle stilte, zonder uitvaart en met weinig belangstellenden in verband met 't gevaar.

In de meisjesschool zijn twee Duitsers door scherven gedood, bij café Timmermans is er een gewond.

Na afloop van het bombardement nemen we de materiële schade op. De kerk heeft vier voltreffers. Ze veroorzaakten een gat in de muur van het priesterkoor en vernielden vele ramen.
Al de wegen in de omgeving van de kerk liggen vol glas, puin, dakpannen, boomtakken enz. Er is geen huis of 't heeft treffers. Over de toestand in het klooster laten we de geschietschrijfster van de kloostergemeenschap aan het woord.

“De nacht van 23 op 24 september was het voorspel van hetgeen ons te wachten stond. Kanon-schoten en geweergeknal vulden de lucht in Diessen-Middelbeers, doch tot dan toe geen tegenweer van de Engelsen. De morgen van 24 september, feest van de Koningin der Maagden, brak aan. De zusters gingen als naar gewoonte naar de kapel om daar de meditatie te horen voorlezen. Bij gebrek aan licht las Moeder Radegunda bij het flauw schijnsel van een kaars de meditatie voor en de zusters volgden zo goed mogelijk. Nog was deze niet geëindigd of daar opende de Engelsman zijn tegenaanval. Granaten van 1meter lengte en 8 à 9 centimeter vlogen door het luchtruim en spatten op ons huis uiteen.

Daags tevoren waren de zieke zusters reeds van boven naar beneden gebracht, zodat de kelder en naaikamer gevuld lagen met bedden en tbc-lijdsters.
Ook de bidkamer achter de kapel was ziekenzaal geworden. De Engelse granaten regenden op heel onze omgeving. De zusters snelden om het hardst de kapel uit, terwijl donderend gerinkel van glas door het gehele huis een oorverdovend geraas veroorzaakt,. Ons eerste toevlucht was in de spreekkamergang en langzamerhand gingen allen naar de kelder.
Intussen werd er reeds een gewonde van buiten naar binnen gedragen. Het dorp telde toen reeds 6 à7 doden en gewonden, 3 volwassen personen en 3 kinderen, voornamelijk onder de 3 families Vingerhoets-Timmermans en van den Bergh. Nauwelijks waren de zusters in de kelder of daar kwamen ook 7 à 8 Duitse militairen, die in de school gelegerd waren, doch bij ons dekking kwamen zoeken. Er was een granaat op de school gevallen en had 1 Duitser gedood.

't Hele convent met mijnheer den Rector J. Diels en enige dorpelingen zoals Trien van de Wal en Anneke Spekebrink alsook de 3 genoemde families met kinderen waren in de kelder als eertijds de vervolgde christenen in de catacomben in een vurig en aanhoudend gebed verenigd. Het vuren op ons huis en Kerk was zo hevig, dat het scheen alsof ons laatste uur geslagen was.
Tot 3 maal toe, gaf mijnheer de Rector aan de vergaderde menigte de Generale H. Absolutie.
In die angstvolle toestand werd de Zondag doorgebracht zonder H. Mis of H. Communie, bijna zonder eten of drinken.
Tegen de 12 uur verlieten de Duitsers de kelder, wijl er een boodschap van den commandantwas gekomen, dat zij op hun post moesten zijn.
't Was ruim 4 uur in de middag toen het gewaagd werd naar de begane grond te gaan om in de refter een boterham te gaan gebruiken. De nacht werd in de kelder doorgebracht, zittend op een stoel of liggend op een stuk tapijt of iets dergelijks. Wijl de bidkamer ook beschoten was, werden de daar gehuisveste zieken ook in de kelder neergelegd. De bovenverdiepingen stonden geheel leeg. Geen ruit was er intact gebleven. De tuinkamers, boven bidkamer, de meeste cellen der Vincentiuszaal, kamer 2 en 4, de kamers achter de kapel en nog zoveel andere vertrekken waren onbewoond, doordat de ruiten totaal vernield waren. Mangel-en appelzolder hadden zo ontzettend geleden, dat de daken gedeeltelijk open lagen en het stromende regenwater boven en beneden de gangen onder water zette.
De toestand bood een hopeloze aanblik. Nacht en dag verkeerde men in gevaar voor allerlei ongelukken. Niemand kon hulp bieden, wijl er geen werkkrachten waren en geen materiaal voor herstelling”.

Vijf weken frontgebied

Met het op 24 september uitgevoerde noodlottige bombardement is Diessen frontgebied geworden. Het zal dat 5 weken blijven tot de bevrijding van Tilburg op 27 oktober. De Duitsers hebben de 12 dagen tussen “dolle dinsdag” en “market garden”(de gekombineerde land-en luchtaanval op 17 september) goed benut. Ze zijn erin geslaagd de chaotische terugtrekkende troepen te hergroeperen.
Ze hebben een nieuw front gevormd en verdedigen zich bekwaam en fanatiek.
We zijn frontgebied geworden in die zin, dat hier het geschut staat opgesteld, dat de in de Beerzen vechtende Duitsers ondersteunt. Dat geschut en de opgestelde seinposten vormen het doelwit van de Geallieerden. Het gevolg is, dat we hier met onregelmatige tussenpozen worden vergast op geallieerde granaten.
Dit gebeurde meestal 's nachts, maar ook overdag vallen er bij tijd en wijle. Je hoort ze over je heen fluiten. Als je op straat bent laat je je vallen, bij voorkeur in de berm, omdat je de illusie hebt, dat het bermgras nog enige dekking biedt.
Eventuele brandnetels neem je maar voor lief. Als het naakte leven gevaar loopt, telt dat niet meer mee. Feitelijk heeft dekking zoeken geen zin meer, want als je het fluiten hoort, is de granaat al tientallen meters verder. De Duitsers lopen dan ook gewoon door, die zijn gehard in dit oorlogsbedrijf.
Soms spat er een uiteen dicht bij je in de buurt. De weggeslingerde scherven vormen het gevaar. Heb je geluk, dan zijn ze langs je heen gegaan. Uiteraard reageren mensen ook in deze omstandigheden verschillend. Er zijn moedigen en minder moedigen, er zijn verstandigen en roekelozen. Maar als je dicht bij een uitspattende granaat bent geweest, ben je wel van je roekeloosheid genezen.
Als de scherven door het raam over je bed heen de slaapkamer in worden geslingerd, behoeft niemand je nog over te halen in de schuilkelder te gaan slapen.
Een en ander is er de oorzaak van, dat je dicht in de buurt van de schuilkelder blijft, tenminste zoveel mogelijk. Maar niet iedereen heeft een huis met een kelder. Met schuilkelders van pakken stro zijn we voorzichtig geworden na de ervaring van de familie Vingerhoets.
We schuilen dus bij elkaar op geschikte plaatsen.
Het gevolg is, dat er nogal wat huizen zijn, waarvan de bewoners afwezig zijn.

De Duitsers gappen eruit,wat van hun gading is. Het zijn  niet alleen Duitsers, maar ook Tilburgers, die de verleiding niet kunnen weerstaan.
Ze komen naar Diessen, omdat hier een overvloed aan levensmiddelen is.
Dat klinkt vreemd, maar toch is het zo. Er is volop melk, want die kan niet aan de fabriek worden geleverd, er is ook volop vlees, want veel koeien worden het slachtoffer van granaatscherven. Ze worden geslacht en het vlees als vrijbankvlees verkocht.

Een dezer dagen verschijnt Ome Frans met de vraag, of er twee personen zijn om hem bij 't spionagewerk te helpen. Zij moeten aan hem de opstellingen van de Duitsers nauwkeurig doorgeven. Ome Frans zorgt, dat de informatie zijn weg vindt naar de Engelsen. Zo bepalen we zelf waar straks de granaten zullen vallen. Het Duitse geschut trekt geleidelijk aan weg. De seinposten blijven, maar worden regelmatig verplaatst. Steevast verandert dan ook de plaats, waar de granaten inslaan. Zo merken we, dat Ome Frans ook iets doet met de verkregen informatie.

Zo nadert 3 oktober. Op deze dag wordt werkelijkheid, waar we sedert 12 mei 1940 hopend, biddend, vloekend, kankeren naar hebben uitgezien, de definitieve aftocht van de Duitsers.
Dit is de dag, waarnaar de verzetsdichter snakte toen hij schreef:

Ik snak naar een land vol rood, wit en blauw
met de zwier van oranje erboven.
Ik snak naar 't Wilhelmus met zijn hou en zijn trouw
waarin Nederlanders kunnen geloven.

Ik snak naar een echte, een neerlandse krant,
die zijn mening weer ronduit kan schrijven.
Ik snak weer naar daden in een echt Neerlandse trant,
ik, die Neerlander ben, en zal blijven.

Ik snak naar het uur, dat het valse verraad,
door het laagste geboefte bedreven
aan de galg boet zijn onneerlandse daad
en zijn laatste dag zal beleven.
  

Ik snak naar de dag, dat de laatste germaan,
zonder “sieg”, zonder “heil” naar zijn heimat zal gaan,
dat de giftige vlag, die ons land thans besmeurt
als een vunzig vod door de goot wordt gesleurd.

Ik snak naar een dag, dat hij kome heel gauw,
Ik snak naar een land vol rood, wit en blauw!

In de nacht, die aan de 3e oktober vooraf gaat, blazen de Duitsers de brug op over de Reusel aan de Beerseweg. 's Ochtends blijkt, dat ze allemaal zijn vertrokken.
Kort na de middag verschijnen de eerste Britse verkenningswagens op de Beerseweg voor de.
opgeblazen brug, op dezelfde manier als de Duitsers zich aandienden op 12 mei 1940. Zij worden niet -zoals de Duitsers -met mitrailleursalvo's maar met gejuich begroet. Ze komen via het bruggetje in de Reijt het dorp binnen. 't Blijken Schotten te zijn. Ze verkennen de weg tot Hilvarenbeek en keren daarna terug naar Middelbeers.

Tegen 't vallen van de avond stroomt 'n onafgebroken rij van tanks, jeeps, vrachtwagens en ander oorlogstuig het dorp binnen. En langs alle wegen, waar ze passeren, staan uitgelaten dorpelingen juichend de bevrijders te verwelkomen.
Een groot deel van de troep gaat onmiddellijk door naar Esbeek en Lage Mierde. Lang kijken we nog naar de voorbijrijdende wuivende “tommy's”.Ten laatste gaan we naar ons kelderbed in bevrijd gebied.

De volgende morgen als de burgerij de vlag uitsteekt, krijgt ze het verzoek van de Britse bevelhebber dit na te laten. De vijandelijke artillerie neemt dit graag als mikpunt. Dan hebben we geen ander middel om onze vreugde tot uitdrukking te brengen als een lachend gezicht en een oranjespeldje, en dat zie je ook bij iedereen.

Er komt wat meer licht in de frontsituatie. De Duitsers blijken zich uit Diessen, Hilvarenbeek en Hooge en Lage Mierde te hebben teruggetrokken. Ze hebben zich genesteld aan de Noord-Oost-kant van het Wilhelminakanaal tot Biest-Houtakker, vandaar achter het stroompje tot aan de Tilburgseweg ongeveer halfweg Tilburg-Hilvarenbeek en verder de bossen in de buurt van Oranjebond en Rovert. De Haghorst aan de Moergestelde kant van het kanaal is dus nog niet bevrijd.

De komst van de Engelsen betekent niet, dat we uit de gevarenzône zijn. We blijven frontgebied. In de Westerwijk staat Engels geschut. 't Vuurt dikwijls en de Duitsers blijven het antwoord niet schuldig. De granaten vallen voornamelijk in de buurt van het geschut en in de omgeving van de weg Middelbeers-Hilvarenbeek. Hilvarenbeek zelf wordt geteisterd door zwaar artillerievuur. Vele Bekenaren evacueren. Ook Diessenaren, die in de buurt van de toren wonen, zoeken elders onderdak, als de toren als uitkijkpost wordt gebruikt.

Ook in Baarschot wordt geschut geplaatst. We raken min of meer gewoon aan 't geknal, al is het wel een hels lawaai als ze over het dorp heen vuren.
Ook dit schieten heeft natuurlijk weer gevolgen. 't Kost moeite om nog een plaats te vinden waar geen granaten gevallen zijn.
Zware tanks schieten van 't Hoekske uit naar Biest-Houtakker en maken daar 'n groot gat in de toren.
Een aantal tanks rijdt door in de richting Hilvarenbeek. Maar 's avonds trekken ze zich weer terug tot de Beerzen. We zijn dan zonder bescherming op de bij het geschut behorende militairen na. Dat is geen geruststellende gedachte, want de Duitsers ondernemen 's nachts nog steeds strooptochten vanuit Biest-Houtakker. Ook komen ze op de Haghorst over het kanaal.

In de avond van 24 oktober arriveert er 'n 400 -man sterke afdeling van de Prinses Irenebrigade. Ze worden hier ingekwartierd. We kunnen nu tenminste eens met de bevrijders praten, want met de Engelsen viel dat uiteraard niet mee. De meesten zijn rond de dertig jaar of ouder. Er bevinden zich nogal wat in Zuid-Afrika wonende Nederlanders onder. De meesten zijn de oorlog even hard moe als wij. Ze verlangen naar huis. Op 26 oktober vechten ze in het drassige terrein voor Broekhoven. Het kost slachtoffers en de mannen zijn 's avonds dan ook erg neerslachtig.

De Duitsers aan de overkant van het kanaal zijn weg. De bewoners van dit gebied laten zich nu weer zien en vertellen hun belevenissen. Ze zijn in Moergestel geëvacueerd geweest.
Op 27 oktober vertrekken de mannen van de Prinses Irenebrigade. Op deze dag wordt Tilburg bevrijd. Dan is hier het gevaar geweken. We verlaten de kelder, blij er nog zo goed afgekomen te zijn. De geëvacueerde komen terug, zandzakken worden verwijderd, bedden gelucht, alles wordt schoongemaakt en ieder betrekt weer zijn eigen woning.

De vrijheid herwonnen

Daags na het vertrek van de Duitsers, op 4 oktober dus, wordt 't burgerlijk bestuur hersteld. Tienus Roozen, de vooroorlogse locoburgemeester wordt waarnemend burgemeester. Ingenieur van Meel, die van hogerhand volmacht heeft tot handelen in burgerlijke zaken, in deze contreien, zorgt dat een en ander zijn beslag krijgt.

De leden van de Orde Dienst worden van de vereiste banen voorzien en bieden hun diensten aan.
De Britse bevelhebber verwijst hen naar het burgerlijk bestuur.
Wachtmeester Bakx uit Esbeek (Ome Frans) wordt gewestelijk commandant. Deze dienst zal in samenwerking met de politie de orde handhaven, wacht-en patrouillediensten doen, en zo nodig arrestaties verrichten. 's Nachts zijn er 'n paar O.D.-ers op 't raadhuis om direkt beschikbaar te zijn als de Engelsen iemand nodig hebben, die de mensen en/of omgeving kent.

De zorg voor de noodzakelijke levensmiddelen, vooral gist en zout, eist de onmiddellijke aandacht van de autoriteiten.
Puin wordt opgeruimd, ramen en daken dicht gemaakt (dikwijls provisorisch, omdat de benodigde materialen ontbreken) en de werkzaamheden op 't land, die ver ten achter zijn worden met spoed ter hand genomen.

Zo herstelt zich een en ander.
Is daarmee de vrijheid herwonnen? Vijf jaren van uitbuiting, rechtsverkrachting, ontduiking van maatregelen, eigen rechter spelen, voorgoed voorbij? Neen,zo simpel is dat niet. Want vrijheid betekent ook rechtsbescherming voor iedereen en wat het arrestatiebeleid betreft gaat er de eerste weken heel wat mis, ook in Diessen.

De vroegere burgemeester Voets, die in 1943 na afloop van zijn ambtstermijn niet werd herbenoemd, maar opgevolgd door de NSB-er Timmermans, wordt onmiddellijk na de bevrijding in zijn functie gestaakt, vanwege zijn aandeel in de arrestatie van Kees van Gils en Toon Jansens in 1943. Voets had niet het vertrouwen van de Diessenaren. Zijn levensstijl was zo geheel anders, dat er grote afstand bleef tussen hem en de inwoners. Hij was dan ook geen geschikte figuur om in deze moeilijke maanden leiding te geven in Diessen. Hij is niet meer in Diessen teruggekeerd. Na vele maanden werd hij benoemd tot burgemeester in Oeffelt.

Jan en Wim van Beurden worden gearresteerd. Ook Toon Maas (sluiswachter op de Haghorst) en zijn vrouw. Na maanden internering worden ze vrijgelaten. Ze zijn niet schuldig bevonden aan hetgeen hen ten laste werd gelegd.

Op een van de eerst bevrijdingsdagen komt het bericht, dat de heer de Loos wordt gearresteerd. En inderdaad, wachtmeester Bakx, heeft van hogerhand die opdracht gekregen. Wat is er dan gebeurd?
In juni 1944 dook de gemeentesecretaris van Hilvarenbeek met al zijn ambtenaren onder. De aanwezige persoonsbewijzen, stamkaarten, alsmede de sleutel van de kluis namen ze mee. Er werd één fout gemaakt. De secretaris gaf te laat een boodschap door. Het gevolg was, dat zijn gezin niet, zoals de bedoelingwas, door de KP werd opgehaald,om ook onder te duiken, maar door de Sicherheitsdienst. 't Slot van de kluisdeur werd geforceerd. Er kwam toegang tot de kluis, maar afgesloten kon ze niet meer worden. Burgemeester Timmermans stelde toen de deur van de Diessense kluis ter beschikking, ze werd verhuisd en het archief ging mee. En de ambtenaren? Die werden voor de keuze gesteld: De administratie in Hilvarenbeek er bij nemen of de gevolgen afwachten.

Ze kozen het eerste. Van juni 1944 tot september 1944 hielden de heren De Loos en Van der Wegen de administratie van beide gemeenten zo goed mogelijk bij.
Toen de Duitsers in september 1944 van de Loos eisten, dat hij mensen zou oproepen voor Wehrmachtswerk, dook hij onder. Die arrestatie komt hard aan. Niet alleen voor van de Loos en zijn gezin, maar voor de gehele bevolking. Hij heeft zich in de jaren, dat hij in Diessen werkte, de sympathie van vrijwel iedereen verworven. De sympathie en het vertrouwen. Naar hem ging men met alle mogelijke moeilijkheden. Voor zover mogelijk heeft hij onderduikers geholpen. De vingerafdrukken op in Diessen vervalste persoonsbewijzen zijn met originele door de Loos beschikbaar gestelde inkt gemaakt, allen die ter vernieuwing of verandering van een persoonsbewijs naar hem toe zijn gestuurd, zijn tevreden terug gekomen. Daarmede is de overname van de administratie in Hilvarenbeek niet goed gepraat. Dat was 'n fout. Maar geen fout, die een arrestatie wettigde. Iedereen is dan ook verheugd,dat Ir. van Meel 's  anderendaags bij het hoogste Nederlandse gezag gedaan krijgt, dat de Loos onmiddellijk naar huis terugkan keren. Wel blijft hij nog gestaakt in zijn funktie, maar ook dit wordt later opgeheven.

BESLUIT

Kort na de bevrijding van Tilburg krijgen we evacuees uit Elst en omgeving. Waar enigszins plaats is worden zij onder gebracht. Daar komt nog nu en dan inkwartiering van militairen bij, zodat 't aantal bewoners tijdelijk sterk stijgt.

De scholen worden voor de troepen gebruikt. Ze zijn ook nog niet hersteld. Het gevolg is, dat de schooljeugd de hele winter schoolvrij is. Hierbij speelt ook de brandstofschaarste een rol.

De hulpaktie van het Rode Kruis (HARK) wordt opgericht. Ze houdt inzamelingen van kleren en levensmiddelen, kleren voor evacués, levensmiddelen voor het nog te bevrijden Noorden, waar men in de hongerwinter zit..

De onderduikers zijn allen vertrokken, uitgezonderd degenen die boven de rivieren wonen. Zij worden in de normale distributie van levensmiddelen en kleren ingeschakeld, van zakgeld voorzien of te werk gesteld door bemiddeling van Landelijk Herstel.

Van de Duitsers merken we niet veel meer, behalve dan de V-1's, de raketten, die door de lucht passeren in de richting Antwerpen. Ze komen dikwijls 's nachts en veroorzaken een pruttelend
geluid, met 'n motor die aan de sukkel is.
Je denkt elke ogenblik: Nu houdt hij op! Dit leidt tot de creatie van een nieuw schietgebed namelijk:
“Onze lieve Vrouwke, gift 'm nog 'n douwke!”

Zo komt in mei 1945 de bevrijding van het Noorden, waarna spoedig normalere verhoudingen terugkeren. En dan duurt het niet langmeer of stad na stad en dorp na dorp viert het bevrijdingsfeest. Ook Diessen blijft niet achter. Op de 2e en 3e Pinksterdag 1945 wordt onder overmatige “zegen”van boven met zang en dans en een kleurrijke optocht feest gevierd.

Uit dankbaarheid voor de bescherming tijdens de oorlog, bouwen de bewoners van Baarschot een Lieve Vrouwekapel, welke op 15 augustus 1945 onder belangstelling van de gehele gemeente wordt ingezegend.
Pater Fidentius,“t kleine paterke”, dat hier het begin van de bezetting in 1940 meemaakte en de bevrijding in 1944 en in de tussenliggende jaren vrijwel iedere zondag in Diessen assisteerde, houdt
de feestpreek.

En hiermede besluit deze serie herinneringen uit de oorlogsjaren.

Toon van Nieuwkuijk
Jans, Toon van Nieuwkuijk en Jan Dijkstra (onderduiker)
ONDERDUIKERS

Hoe het begon.


't Was in juli 1943, dat iemand me met zijn fiets achterop reed, terwijl ik met mijn melktoer bezig was. Hij deed geheimzinnig,terwijl hij naar me toe kwam. Hij zei: “Toon kun je me aan een paar adressen helpen voor onderduikers. Er zitten er een paar bij mij thuis, maar daar kan ik ze niet houden”.
Ik kende hem wel, 't was een noorderling, die in Tilburg woonde en waarmee ik in verband met mijn werk regelmatig contact had. Hij vertelde, dat hij deel uitmaakte van een verzetsgroep. In die groep was hij bekend als Berend. Hij vroeg of ik in Diessen onderduikers wilde plaatsen en als contactpersoon optreden tussen onderduikers en verzetsbeweging. Ik wist eigenlijk niet precies, wat het allemaal inhield, maar ik beloofde een paar adressen te zoeken.
Daarmee begon het voor mij.
Op soortgelijke wijze zal het begonnen zijn voor velen, die zich met onderduikerswerk bezig hebben gehouden. En dat zijn er nog al wat, want er was volop werk aan de winkel. Er waren geweldig veel mensen, die door de Duitsers werden gezocht. De studenten, die de loyaliteitsverklaring niet hadden getekend, de andere mannen tussen 18 en 35 jaar, die zich niet hadden gemeld voor registratie of die een oproep voor tewerkstelling in Duitsland hadden genegeerd, de naar Duitsland weggevoerden, die clandestien waren teruggekomen, enz.
Om te voorkomen dat ze van hun bed werden gelicht, sliepen de meeste gezochten niet thuis. Maar voor mensen, die in steden woonden was het risico, dat zij bij een razzia  op hun slaapadres zouden worden gevonden dan nog erg groot. Wie bij familie of bekenden op het platteland een verblijfplaats kon versieren, maakte daar dan ook een dankbaar gebruik van, en dook onder. 't Zou maar voor korte duur zijn -dacht men -want de invasie kwam. 't Was nog slechts een kwestie van dagen.

De landelijke organisatie voor onderduikers

Het aantal stedelingen, dat relaties had op het platteland was echter veel te gering om alle onderduikers aan onderdak te helpen. Als gevolg daarvan ontstonden er op vele plaatsen initiatieven tot hulpverlening. De verzetsbeweging bundelden de initiatieven en zochten contactpersonen op plaatsen, waar dat nodig was. Zo groeide geleidelijk aan de landelijke organisatie voor onderduikers, genaamd L.O., de grootste ondergronds werkende organisatie die er in de bezettingstijd is geweest. Aanvankelijk zorgde ze voor plaatsing van onderduikers, maar later werd ook de distributie van levensmiddelenkaarten en van (meestal vervalste) verblijfspapieren, zoals persoonsbewijzen en ausweizen met succes ter hand genomen, als mede het beschikbaar stellen van kostgelden, enz.
Op de Haghorst was Piet van Bijsterveldt (broer van Janus, de latere wethouder) al kort na mei 1943 actief bezig met het plaatsen van onderduikers. In Diessen en Baarschot hebben Janus van Heerbeek en ik op verzoek van Berend dit werk ter hand genomen. Aanvankelijk was het de bedoeling dat Janus de Beerzen voor zijn rekening zou nemen, Janus hielp daarom overal waar het nodig was. Toen hij gevraagd werd, verzorgde hij al een groepje officieren, dat hij op de Biest had ondergebracht. Aanvankelijk was het onze bedoeling om tot een uitwisseling van onderduikers te komen, waarbij de dorpen uiteraard meer op te nemen dan af te leveren zouden krijgen. Berend zou wekelijks de contacten bezoeken en dus als koerier optreden. In het begin viel het niet mee om adressen te vinden. De angst voor eventuele gevolgen was daar de oorzaak van. Ook de vraag “Wie krijgen we in Godsnaam in ons gezin?” werd dikwijls gesteld. Als dan maar de verzekering gegeven kon worden, dat het een betrouwbaar iemand was, die de opvattingen en gedragsregels van het gastgezin zou respecteren, werd de beslissing gemakkelijker.
De angst werd ook minder, toen bleek, dat bij de moedigsten al een tijd een onderduiker  in huis was, zonder dat dit moeilijkheden opleverden. De praktijk wees uit, dat de gastgezinnen niet lastig werden gevallen als de onderduiker werd opgepikt, die de arbeidsinzet trachtte te ontlopen. Bij het arresteren van Joden, geallieerden piloten of illegale werkers waren de Duitsers niet zo goedmoedig. De toezegging van kostgeld en van bonkaarten vergemakkelijkte de plaatsing. Zolang dit werk nog een onderonsje met Berend was, hadden we niet de beschikking over deze middelen. Maar Berend sloot zich spoedig aan bij de L.O. Het bonkaartenprobleem werd daarmee opgelost. Het lukte zelfs vrij gauw rokerskaarten beschikbaar te stellen. Niettemin probeerden we de onderduikers in het bevolkingsregister opgenomen te krijgen, waardoor de gewone distributie-regeling voor hun rantsoentje zorgde. In een beperkt aantal gevallen lukte dat.
Met het geld ging het moeilijker. Er waren verschillende personen, die Pro-deo één of twee duikers namen, maar de meerderheid verlangde kostgeld en liefst nog een goede werkkracht. Aanvankelijk hielden we inzamelingen om voldoende geld bij elkaar te krijgen. Dit was echter een moeilijk karwei. We konden niet veel bekendheid geven aan een en ander en dus alleen een beperkte groep bewerken, die niet loslippig was. Ondanks het feit dat de meeste gevraagden met veel animo gaven, bracht de actie niet veel meer op, dan het geld wat er nodig was voor de betaling van de onkosten. Het was dan ook 'n geluk, dat er nog een spaarpotje beschikbaar was van de Ned. Unie. De gewezen Unie-medewerkers, die dit bedrag beheerden, waren het erover eens, dat het geld nergens beter aan kon worden besteed, dan aan het verzet tegen de vijand. Zo kwam er ongeveer f.400,--ter beschikking. Dit kan als het eerste kasgeld van de L.O. In het district Tilburg worden beschouwd. Voortaan zorgde de Landelijke L.O. voor de beschikbaarstelling van kostgelden. Dat loste onze financiële problemen op.
De eerste maanden liep de organisatie nog stroef. Bonkaarten kwamen onregelmatig door en met duikers was het ook zo. Langzaamaan werd het echter beter en op het laatst was deze organisatie even snel en betrouwbaar dan welke bovengrondse ook. Was er een ausweis of persoonsbewijs nodig: 'n boodschap aan Berend en een week later was het gevraagde beschikbaar. Ook als berichtdienst werkte de L.O. uitstekend. Bij enig gevaar kon men er op rekenen boodschappen te krijgen, zoals “wordt aangeraden vannacht niet thuis te slapen”.
Uiteraard was de telefoon of de post voor deze boodschappen niet te gebruiken. Het moest allemaal door middel van koeriers gebeuren. Wanneer zich iemand als onderduiker meldde, die men niet helemaal vertrouwde, werd hem tijdelijk nachtverblijf gegeven, “uitsluitend omdat men medelijden had met zijn omstandigheden”. Intussen werd het adres van thuis, dat hij had doorgegeven  gemeld aan de L.O. en binnen een paar dagen had men bericht of het klopte. In het tegengestelde geval werd hij verzocht te vertrekken.
Begin 1944 kwamen er nieuwe distributiestamkaarten. De Duitsers meenden een vernuftig systeem te hebben gevonden, waardoor ze alle onderduikers zonder levensmiddelenbonnen zouden zetten.
Er moest n.l. op 't persoonsbewijs een zegel worden geplakt met het nummer erop van de distributiekring. Met dit gezegelde persoonsbewijs kon men op het distributiekantoor een nieuwe stamkaart krijgen. Theoretisch sloot het systeem perfect. Het beoogde effect werd echter niet bereikt, omdat de uitvoering van de maatregel van het begin tot het einde op zoveel plaatsen werd gesaboteerd. Als voorbeeld kan hier worden genoemd de uitgekookte manier, waarop ambtenaren van de gemeente Tilburg 100.000 van deze persoonsbewijszegels verdonkeremaanden en ter beschikking stelden van de L.O..